In de 16e en 17e eeuw geloofden veel artsen dat tabak geneeskrachtig was. Europese dokters zagen hoe inheemse volkeren tabak gebruikten tegen allerlei kwalen en namen dat idee over.
Tabak paste perfect in de humorenleer: men zag het als “heet en droog”, geschikt tegen koude ziekten. Daardoor kwam tabak zelfs in officiële medische boeken terecht.
Artsen gebruikten tabak op manieren die nu vreemd lijken: snuiven tegen hoofdpijn, siroop tegen hoest, rook tegen oorpijn en zelfs rookbehandelingen bij darmproblemen.
Pas eeuwen later ontdekte men dat tabak niet geneest, maar schadelijk is.